Image Image Image Image Image Image Image Image Image Image

| September 25, 2020

Scroll to top

Top

No Comments

In the end is my beginning

In the end is my beginning
Tempus

 Het emeritaat van waarnemend rector Martine de Clercq

Lees ook de inleiding op dit artikel:

EEN WEL HEEL BIJZONDER PARCOURS AAN DE HUBRUSSEL: VAN 5E STUDENT TOT WAARNEMEND RECTOR

De start van een kleine Nederlandstalige universiteit in Brussel

 Monseigneur Van Camp, de toenmalige rector van de FUSL (Facultés universitaires Saint-Louis) zorgde er in 1968 mee voor dat de oprichting van de Nederlandstalige tegenhanger van de FUSL mogelijk werd. Jan Lindemans  werd de eerste rector van de Universitaire Faculteiten Sint-Aloysius (UFSAL). Lindemans was bekend in onderwijsmiddens en hij ging er prat op dat hij al de zevende generatie in het onderwijs was.

 

Tempus: Hoe komt het dat u bent gaan studeren aan de pas opgerichte UFSAL?

Martine de Clercq: Ik had net een jaar in Amerika verbleven en was van plan om Germaanse te studeren aan de KU Leuven. Maar mijn moeder had me verteld over de pas opgerichte universiteit UFSAL in Brussel. De decaan van de faculteit letteren was professor Bernard-Frans van Vlierden, bekend van het televisieprogramma ‘Vergeet niet te lezen’. Professor van Vlierden betekende veel voor het culturele leven in Brussel.

Ik was dus met mijn ouders onderweg naar Leuven om Germaanse te gaan studeren. Aan het kruispunt in Groot-Bijgaarden vroeg ik aan mijn ouders om door Brussel te rijden. Mijn ouders waren verbaasd, maar volgden toch die weg. We zijn toen gestopt aan het oude notarishuis dicht bij het Madouplein, in de Korte Noordstraat. Daar werd ik verwelkomd door rector Jan Lindemans himself. Ik was de vijfde student die ingeschreven was aan deze nieuwe universiteit.

Ik startte samen met zeventien andere Germanisten en veertig studenten Rechten, mijn opleiding aan de nieuwe universiteit. In de Germaanse studeerde ik af met acht andere studenten, een hele kleine groep jonge dames. Daarna gingen we allemaal naar Leuven.

 

Tempus: Zo een kleine universiteit, was alles dan organisatorisch wel in orde?

Martine de Clercq: Het was een kleine universiteit en in het begin was het zeker nog wat zoekwerk. Ik herinner me dat de rector, samen met zijn secretaresse, mij in het begin hebben ingeschreven met een potlood (lach). Het was dus een heel episch verhaal maar wel heel apart. Het had iets pioniersachtigs.

Maar ik heb er wel een bijzonder fijne tijd gehad. Er was een heel direct contact en ik kon de assertiviteit die ik in Amerika had geleerd bewijzen. Ik kon aantonen dat assertiviteit een troef kon zijn; natuurlijk zonder arrogant te worden. Dat was iets wat de docenten positief ervaren hebben.

Het was ook zo dat je voortdurend moest presteren, want we werden bijna permanent geëvalueerd.

Het oude notarishuis, waar de UFSAL aanvankelijk was gevestigd, was omgebouwd en ik herinner me nog goed dat de lokalen precies bokalen waren: alles was in glas. Dat was soms wel een beetje bevreemdend.

Zowel voor de professoren als voor ons was alles een beetje nieuw. We hebben er samen iets constructiefs, iets innovatiefs van gemaakt.

 

Nauwe band Leuven-Brussel

 

Tempus: Kwamen de eerste professoren allemaal uit Leuven?

Martine de Clercq: Een deel van de professoren van de UFSAL kwam van Leuven en een ander deel kwam van Gent. Voor Filosofie kwam het grootste deel van de professoren uit Leuven. De docenten Duits en Engels kwamen van Gent. Zij hebben mee de nieuwe universiteit in Brussel gestalte gegeven.

 

Tempus: Er werden enkel kandidaturen (bachelors, nvdr.) aangeboden? Stroomden de studenten daarna door naar Leuven?

Martine de Clercq: Na twee jaar behaalde ik mijn kandidatuur in de Germaanse Filologie en ging ik verder naar Leuven om mijn licentiaat te behalen. In Leuven leerde ik ook professor Van Gorp (decaan van de faculteit Letteren aan de KU Leuven, nvdr.) kennen. Hij doceerde Algemene Litteratuurwetenschap in Brussel en Leuven. Professor Van Gorp was echt een bruggenbouwer tussen Brussel en Leuven, en omgekeerd.

Er is altijd al een sterke band geweest tussen de toenmalige UFSAL en de KU Leuven. Het is niet per toeval dat bijna iedereen doorstroomde naar Leuven.

Toen ik studeerde aan de UFSAL nam ik elke dag de bus van Vorst naar Brussel. In Leuven zat ik voor de eerste keer op kot, op kamers noemde dat dan. Dat was iets heel apart voor mij; het echte studentenleven, want dat was natuurlijk anders dan aan de UFSAL. Ik werd lid van de studentenclub Germania en ging ‘s avonds vaak naar films gaan kijken in de Leuvense Studio’s. In de licenties (master, nvdr) waren er meer seminaries dan hoorcolleges. Maar ik zorgde er steeds voor dat ik het werk voor de universiteit meteen kon doen. Op die manier was ik wat vrijer tijdens het academiejaar. Ik hoorde wel thuis in de categorie ‘goede student’. Later (in 1984, nvdr.) verdedigde ik ook nog mijn doctoraat aan de KU Leuven.

 

De overgang van UFSAL naar KUBrussel en HUBrussel

 

Op 5 juli 2007 sloten EHSAL, VLEKHO en HONIM een intentieverklaring tot samenwerking. NBI, ofwel Nieuwe Brusselse Instelling, was de merknaam waarmee deze samenwerking werd aangekondigd. Later werd de naam van deze instelling ‘Hogeschool-Universiteit Brussel’, de eerste hogeschool én universiteit in Vlaanderen.

 

Tempus: U bent rector geworden nadat de toenmalige rector Van Hoecke was afgetreden in een woelige periode.

 

Martine de Clercq: In 2006 is decretaal bepaald dat de KUBrussel werd afgebouwd. Er kwam een hele faculteit weg te vallen en twee opleidingen van de Faculteit Letteren werden geschrapt. Rector Van Hoecke heeft toen beslist om zijn professoraat aan de Universiteit Gent voort te zetten en toen heeft men mij gevraagd om als waarnemend rector te fungeren voor een periode van vijf jaar: van 2007 tot eind 2012. Begin 2013 ben ik nog even waarnemend rector gebleven, omdat ik aanvaard heb mijn mandaat een beetje te verlengen.

Lessen aan de KUBrussel, vroeger en nu.

 

Tempus: Is er veel veranderd in het onderwijs tegenover nu?

Martine de Clercq: De focus moet volgens mij blijven liggen op het interactief doceren, zoals ik dat zelf heb mogen ervaren in de hoorcolleges met een klein aantal studenten. Bovendien merk ik dat die interactiviteit vandaag nog wordt geprezen door de studenten.

Lesgeven aan 200 studenten is natuurlijk nog iets anders, maar desalniettemin is het mogelijk vanuit een zekere actualisering van de leerstof, de studenten mee te krijgen.

 

Tempus: Is de inhoud van de verschillende vakken veranderd?

Martine de Clercq: Ik kreeg Europese Literatuur van professor van Vlierden. Hij had een bijzondere visie op die literatuur: echt visionair. Later zijn er een aantal andere werken verschenen van collega’s die de revolutionaire stelling van professor van Vlierden beaamden. Ik kreeg dus al vrij snel een interessante visie op die Europese literatuur mee.

 

Tempus: Ziet u een verschil tussen de student van vroeger en nu?

Toen ik assistent was, hadden we aan de UFSAL studenten zoals een Herman Van Molle en Chris Cockmartin die heel actief poëzieavonden, waar ook docenten op werden uitgenodigd, organiseerden. De studenten waren toen veel actiever dan nu. Ook werd er aan de UFSAL vroeger de revue georganiseerd. Ik merk nu wel dat de studenten toch weer aan toneel doen (toneelstuk De Sterrendief, nvdr.). Ik ben heel blij met deze revival. Wat mij zo blij maakt, is dat studenten uit verschillende faculteiten samen, met professor Philip Vermoortel, zo iets moois gemaakt hebben.

 

Tempus: Hoe komt het dat studenten minder activiteiten organiseren dan vroeger? Hebben ze dan minder tijd?

Martine de Clercq: Ik denk dat er andere media gekomen zijn. Vroeger waren er echt heel veel activiteiten en studiereizen. Studenten organiseerden vroeger TD’s (Thé Dansants), waar ook professoren op werden uitgenodigd.

 

Tempus: Hoe staat u tegenover de huidige ontwikkelingen (de verschillende fusies, de integratie) in het hoger onderwijslandschap?

Martine de Clercq: Ik ben iemand die nogal positief denkt. Ik probeer vooral de goede kanten van de zaak te zien. Dat er veranderingen zijn, klopt maar dat komt ook omdat we in een andere cultuur leven, een media-cultuur.

Ook Brussel is veranderd. Toen de UFSAL startte was het issue vooral het verstevigen van de Nederlandstalige aanwezigheid in Brussel. Vandaag, 40 jaar later, zien we dat het weefsel heel anders is. Het gaat om een multiculturaliteit en dat brengt met zich mee dat we oog moeten hebben om de nieuwe generatie studenten op te nemen en te begeleiden. Vandaar vind ik dat het samengegaan van het academische en professionele onderwijs (zoals de HUBrussel dat doet) een meerwaarde betekent. Er moet zo veel mogelijk gestreefd worden naar dwarsverbanden. Ook de doorstroom van studenten uit professionele opleidingen naar academische opleidingen, en omgekeerd, moet alle kansen krijgen.

Ik geloof heel sterk in het HUBrussel-project en dat is één van de redenen waarom ik toen wou meewerken aan de Nieuwe Brusselse Instelling (NBI, de naam waarmee de samenwerking tussen EHSAL, VLEKHO, HONIM en de KUBrussel werd aangekondigd, nvdr.).

 

Tempus: De HUBrussel werkt nu al intensiever samen met de KAHO Sint-Lieven, met campussen in Gent, Sint-Niklaas en Aalst. Ziet u hierin dan een meerwaarde?

Martine de Clercq: Ik vond het interessant om samen te werken met KAHO Sint-Lieven om de as Brussel-Vlaanderen te versterken. Door de samenwerking werd de verbinding Brussel-Vlaanderen niet allen versterkt in oostelijke richting (integratie in de KU Leuven, nvdr.) maar ook in westelijke richting (fusie met KAHO Sint-Lieven, nvdr.).

Het is namelijk erg belangrijk om een goede aansluiting te hebben met Vlaanderen.

Bovendien vond ik het erg positief om kennis te maken met een andere cultuur. Aan KAHO Sint-Lieven heerst er een cultuur van Industriële Wetenschappen: iets wat we aan de HUBrussel niet hadden.

Ik vind het erg belangrijk dat we kennis hebben van wat er zich daar afspeelt. Dat is immers, naar mijn mening, bijzonder boeiend. Natuurlijk kunnen we inhoudelijk niet op alle punten samen werken, maar waar deze samenwerking mogelijk is, biedt ze een meerwaarde.

 

Tempus: Volgend academiejaar integreren de academische opleidingen in de KU Leuven. Ziet u dit niet als een splitsing tussen de professioneel en academische opleidingen?

Martine de Clercq: Niets belet dat beide opleidingen in Brussel samenwerken. Het  blijft een hele uitdaging om het aanbod op de campus Brussel  zo aantrekkelijk mogelijk te maken. Vandaar dat ik ervoor pleit om de contacten met het Brusselse culturele weefsel, de instellingen die hier zijn, te versterken én om aan studenten via praktijkoefeningen, stages en lezingen die hier gehouden worden, de mogelijkheid te bieden om het Brusselse netwerk beter te leren kennen. Het is belangrijk om voeling te krijgen met wat er zich in Brussel afspeelt, zonder daarom afbreuk te doen aan de principes die door KU Leuven bepaald worden. Het is onze taak om na te gaan hoe we die Brusselse context kunnen waarmaken in dialoog met Leuven.

 

Tempus: Binnenkort gaat u op emeritaat, wat zijn de plannen voor na uw emeritaat?

Martine de Clercq: Eerst en vooral, zou ik, van op afstand, de ontwikkelingen in het hoger onderwijs in Brussel willen blijven opvolgen. Ten tweede hoop ik ooit nog een werk te kunnen maken van brieven die ik aan tien van mijn geliefkoosde schrijvers zou willen richten. Dat is immers iets dat mij toch wel meer dan 40 jaar heeft bezig gehouden. Het zouden brieven zijn, geschreven in vier verschillende talen, aan schrijvers uit verschillende periodes uit de Europese literatuurgeschiedenis (18de, 19de en 20ste eeuw).

Tot slot hoop ik ook een beetje meer tijd te hebben voor mijn kleindochtertje. Ze is nu anderhalve maand oud en gisteren zat ze naar mij te lachen alsof ze zelf een boodschap wou meegeven. Heel de evolutie van Khloé zou ik graag van iets dichterbij willen meemaken.

 

Submit a Comment